Speech Ineke van Gent, dinsdag 15 november 2022

Lees hier de speech:

‘In een democratie is daarom geen reden’

 Ik ben een tikkie jaloers.

Ik mag hier spreken op uitnodiging van het Centrum voor Parlementaire geschiedenis. Ik realiseerde mij in de aanloop naar deze bijeenkomst dat de wetenschappelijk onderzoekers van het Centrum als geen ander weten dat een goed archief het geheugen is van onze samenleving.

Bewaren, vinden, opduikelen, reconstrueren en interpreteren; dat is wat het Centrum doet.

Dankzij dit werk worden mensen die een relevante rol speelden in onze democratie, gezien en gehoord. En dat doet het Centrum voor Parlementaire geschiedenis dus al 50 jaar!

Ik ben jaloers, want wij als Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding willen ook dat mensen gezien en gehoord worden. Niet alleen in het hier en nu, maar ook later, dus huidige én toekomstige generaties.

Ik wil u in proberen uit te leggen waarom dat voor mij, voor ons Adviescollege, zo belangrijk is. 

Waarom heeft deze stoel een zetel? Waarom heeft die man zoveel petten op? Waarom heeft die mevrouw zo’n grote ketting om?

We kennen ze allemaal: de eindeloze ‘waarom’-vragen die kinderen onvermoeibaar en ongenadig op je af kunnen vuren.

We deden het zelf vast ook. Waarom doen kinderen dat?

Omdat ze nieuwsgierig zijn en onbevangen op zoek zijn naar kennis: ze willen weten hoe de wereld in elkaar zit.

Maar ook omdat ze een reactie willen, omdat een antwoord vaak nieuwe inzichten oplevert.

En als dat gebeurt, dan ben je in gesprek: je leert de wereld kennen én de ander. En ook – vooral - je wordt gezien en gehoord.

Als volwassenen noemen we dat een dialoog, een discussie, een debat. Als betrokken burgers noemen we dat een democratie.

Want, in de woorden van de Amerikaanse filmmaker Michael Moore: “Democratie is geen kijksport, het is een participerend evenement. Als we niet meer participeren houdt het op een democratie te zijn.” 

Om te participeren, om gezien en gehoord te worden.

Om mee te denken, mee te praten, mee te doen, moeten we weten wat er speelt. Hebben we informatie nodig. ‘

Daarom is het belangrijk dat iedereen vragen mag en kan stellen En antwoorden kan en moet krijgen.

Zoals GroenLinks kamerlid Bart Snels, één van de initiatiefnemers van de Wet Open Overheid zei: “Burgers hebben recht om te weten hoe hun overheid tot besluiten komt. En journalisten moeten ongehinderd aan waarheidsvinding kunnen doen.”

Hun overheid, dat is onze overheid.

Want in een democratie, in onze democratie, is de overheid van ons allemaal.

En die overheid moet open staan voor vragen, moet aanspreekbaar zijn op wat zij doet. Moet royaal zijn met zijn antwoorden.

Daar waren, tijdens de parlementaire behandeling van de Wet Open Overheid, steeds meer partijen het over eens.

Het was mooi om te zien hoe de consensus groeide.

Zeker toen het rapport ‘Ongekend Onrecht’ over het schandaal rond de Kinderopvangtoeslagen uitkwam. In dat rapport ging het ook over de ‘leemlaag’ waar Kamerleden en journalisten tegenaan liepen in hun zoektocht naar informatie over wat er nu gebeurd was en hoe het had kunnen gebeuren.

Een ondoorzichtige ‘leemlaag’ van verantwoordelijkheden, en een ‘leemlaag’ in de informatiehuishouding. Daardoor raakte informatie zoek of bleef informatie onder de pet. En dus bleef veel te lang onduidelijk waar het nu mis was gegaan. Niet alleen voor het parlement en voor de journalistiek, maar óók voor bestuurders die lessen wilden trekken. En – dat is het ergste - voor al die mensen die slachtoffer waren, en zijn van overheidshandelen.

Het was duidelijk dat het anders moest en beter kon.

Het was duidelijk dat openbaarheid niet alleen een plicht is van de overheid en een recht van burgers, maar een instrument om de democratie te laten werken.

Kajsa Ollengren noemde aanspreekbaar zijn “misschien wel de belangrijkste voorwaarde voor de vertrouwensrelatie tussen burger en overheid” en voegde eraan toe: “Die openheid, die transparantie en die houding van vertrouwen, van "wij vertrouwen u", kunnen we alleen maar samen voor elkaar krijgen.”

Inderdaad.

De aanloop naar de Wet open overheid en het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding was niet kort. Zelf ben ik er al een aantal jaren, zijdelings, bij betrokken. Inmiddels zijn we goed op sterkte met drie leden erbij met expertise op het gebied van openbaarheid van bestuur, het archiefwezen en de bemiddelingspraktijk. We hebben kennis in huis op diverse vlakken en een uitstekende staf die net als het college zeer gemotiveerd is in zijn opdracht.

De Wet Open Overheid heeft ons een mooie, belangrijke taak gegeven. Of eigenlijk twee taken.

Onze eerste taak is om de regering en het parlement te adviseren over openbaarheid en goed beheer van overheidsinformatie. Gevraagd en ongevraagd.

Onze tweede taak is voor journalisten en anderen die vanuit hun beroep een Woo- verzoek indienen bij een overheidsorganisatie. Als zo’n Woo-verzoek hopeloos vastloopt – en dat gebeurt veel te vaak – dan kan het college bemiddelen. En als dat niet helpt, zullen wij een dringend, openbaar, advies uitbrengen aan de betreffende overheidsorganisatie.

Wij zijn als college nog maar net gestart. Maar één ding is al wel duidelijk: het is ingewikkelde materie. Je bent er niet als je handelt naar de letter van de wet. De Woo biedt net als de Wob aanknopingspunten om informatieverzoeken te juridiseren en te politiseren. Het college ziet het daarom als zijn belangrijkste opgave – en uitdaging – om de geest van de wet tot leven te brengen. Ons ideaal is dat élke bestuurder tot op het hoogste niveau openbaarheid en goed informatiebeheer hoog in het vaandel draagt en vanzelfsprekend vindt.

Dat vraagt om een andere houding, een nieuwe bestuurscultuur. Zoals voormalig senator en nu staatssecretaris Van der Burg dat zo mooi verwoordde bij de behandeling van de Woo: “Een mentaliteitsverandering met betrekking tot een open overheid is materieel een opdracht aan alle Kamerleden in de Eerste en Tweede Kamer en andere leidinggevende politici. (…) Het betekent dat wij het goede voorbeeld geven in alle functies die we hebben. We besluiten over wetgeving, maar een mentaliteitsverandering begint bij onszelf.

Maar waarom vinden we dat dan zo moeilijk?

Waarom gaat het debat dan toch weer vaak over de geitenpaadjes, en de nooduitgangen?

Waarom wordt niet gekozen voor het olifantenpaadje en nemen we de kortste weg naar openbaarheid?

Wat is er te verliezen als je informatie deelt? Dan hoor je vaak:

je verliest de kans om achter de schermen compromissen te sluiten, om efficiënt te werken, om, om, om……

Of: daar hebben we geen tijd voor.

Of: dat is niet zo makkelijk uit te voeren Of: dat heeft geen prioriteit

Dat is toch een beetje: mijn wekker was stuk, de brug stond open en het verkeerslicht stond langdurige op rood.

Het zijn smoesjes.

We weten allemaal dat het echt niet werkt als je kinderen die vragen naar het waarom, afscheept met ‘daarom!’.

Dat werkt precies zo in onze democratie: geen smoesjes, geen geitenpaadjes, maar ‘gewoon’ recht voor zijn raap duidelijk zijn. Daar hebben we als democratie, als samenleving, veel bij te winnen. 

Met openbaarheid van bestuur geef je mensen zicht op de afwegingen en keuzes van de overheid. Bijvoorbeeld: waarom sluit jouw partij dat compromis? Toen ik nog Kamerlid was en GroenLinks samen met D66 en Christen Unie het initiatief nam voor het zogenaamde Lente-akkoord, was het helemaal niet zo moeilijk uit te leggen dat je soms moet inleveren om wat te krijgen. Dat compromissen sluiten onvermijdelijk is in onze democratie. Het is een beetje geven en nemen. Gewoon uitleggen wat je doet en burgers meenemen in de over- en afwegingen. En een beetje moed tonen.

Met openbaarheid geef je mensen bovendien de kans om zelf afwegingen en keuzes te maken: in het stemlokaal en daarbuiten. Bijvoorbeeld als het gaat over een vuurwerkverbod. Ik ben naast voorzitter van het college, ook burgemeester en in die functie probeer ik zoveel mogelijk openheid van zaken te geven. Op Schiermonnikoog hebben we onze inwoners zoveel mogelijk betrokken bij de besluitvorming over het vuurwerk gebruik. Ook maken we onze collegenotulen openbaar. Niet helemaal, dat niet. Er is nu eenmaal altijd een klein stukje dat te persoonlijk is of te gevoelig ligt, maar het is nu wel 80 procent openbaar en 20 procent niet, in plaats van eerder, andersom. Ik zal niet beweren dat de notulen stukgelezen worden, maar het kán wel en daar gaat het om. 

Openbaarheid is ook belangrijk voor een vrije en onafhankelijke nieuwsgaring door de media, want journalisten zijn een noodzakelijke, welkome waakhond van onze democratie. Daarvan zijn voorbeelden genoeg, van de kindertoeslagenaffaire tot - recent nog - de RIVM-lijst rondom de 100 grootste stikstof uitstoters.

Openbaarheid zorgt tot slot ook voor integriteit en beter beleid. Als meer mensen meekijken, zijn beleidsmakers ook meer in staat om het beleid van een andere kant te bekijken. Je voorkomt tunnelvisie en achterkamertjes.

Ik wil graag een citaat met u delen van Thorbecke, de grondlegger van de Nederlandse parlementaire democratie. Hij schreef in 1847 het volgende: “Zolang wij in ons gemeentewezen publiciteit missen, zal de grote weg tot verbetering zijn gesloten. Zonder publiciteit geen hervorming. Hervorming heeft de onverzettelijksten aller vijanden, de gewoonte, tegen zich. Gewoonte is vooroordeelziek, dewijl zij zonder onderzoek haren gang gaat: en vooroordeel ruimt voor gene macht, dan voor publiek onderzoek, het veld”.

Thorbecke was op dat moment, naast hoogleraar, gemeenteraadslid in Leiden. Hij ergerde zich aan het gebrek aan openbaarheid. Er is sindsdien natuurlijk veel verbeterd. Maar ook nu, anno 2022 is er nog steeds een wereld te winnen.

Kortom, wat er te winnen is, is een werkende democratie.

En wat we er ook mee winnen, of beter, wat we niet verder willen verliezen maar juist herstellen, is het vertrouwen van burgers in de overheid.

Natuurlijk is openbaarheid niet de enige factor die een rol speelt als het gaat om dat vertrouwen, maar openbaarheid is wel belangrijk bij het voorkomen van wantrouwen.

Dat wil niet zeggen dat je altijd alles moet weten, dat je altijd tot het gaatje moet gaan.

Henk den Uijl en Paul Frissen noemen dat, in het eerste artikel in het jaarboek dat vandaag gepresenteerd wordt, “een technocratisch beeld van openbaarheid en kennis”.

Ik citeer: “Als we maar alles kunnen zien, dan kunnen we ook de juiste keuzes maken. Dit ontkent de aard van politiek die gaat om interpretatie, verbeelding, oordeelsvermogen én om verhulling, symboliek en onenigheid.” Einde citaat.

Inderdaad, in de politiek is 1 plus 1 zelden 2.

Optellen tot 3, 4 of 5, dat is juist wat politici doen: de feiten verbinden aan meningen. Daardoor zijn besluiten, zijn oplossingen, niet alleen een kwestie van weten en meten, maar ook van inzicht en intuïtie, visie en verbeelding. 

Maar óók als de verbeelding aan de macht is, moeten mensen kunnen controleren hoe die macht wordt ingezet. Dat is het wezen van een democratie. Als iemand een vraag stelt, heeft hij of zij recht op antwoord. 

En die antwoorden moeten beschikbaar zijn.

Niet na maanden zoeken en/of traineren, maar toegankelijk, transparant en vlot vindbaar.

Wat daarvoor noodzakelijk is, is een goede informatievoorziening, en die is alleen mogelijk met een goede informatiehuishouding. 

Niet volgens de leer van Marie Kondo (opruimgoeroe): alleen bewaren waar je zelf van houdt. Maar zorgvuldig en transparant afwegen welke documenten waarde hebben, óók voor anderen buiten de organisatie, nu én later. 

Ons eerste gevraagde advies gaat daarover: over de omgang met berichtendiensten, naar aanleiding van de discussies over de verwijderde sms-berichten van de minister-president.

Mocht hij dat doen? Nee, dat mocht niet volgens de Archiefwet. Weliswaar volgde de minister-president een handreiking die geldt bij alle ministeries. Maar die handreiking voldoet niet aan de Archiefwet.

Dat is niet ons oordeel, maar dat van de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed. Want zij gaan daarover. Wij niet.

Het Adviescollege is er voor de volgende stap: hoe moet het dan wel? De Archiefwet laat namelijk ruimte voor keuzes. Keuzes over de manier waarop overheidsorganisaties informatie onder beheer brengen. En keuzes over hoe lang zij die informatie vervolgens bewaren.

In het digitale tijdperk is dat best een ingewikkelde afweging. Er is zoveel informatie. Met nota’s, rapporten, brieven en beschikkingen gebeurt eigenlijk hetzelfde als vroeger met papier: dat soort documenten beheren overheden tegenwoordig in digitale dossiers in speciaal daarvoor bedoelde digitale archiefsystemen. De waardevolle documenten gaan over naar het Nationaal Archief of een decentraal archief.

Maar wat gebeurt er met al die andere vormen van informatie? Denk aan websites, aan e-mails en zeker ook aan chatberichten op telefoons. Veel van dat soort nieuwe informatievormen laten zich niet zo makkelijk in een digitaal dossier stoppen. Daar moet echt iets anders voor bedacht worden. Want juist ook dat soort informatie heeft natuurlijk waarde voor nu en voor later.

Bij het Nationaal Archief zie je dat, daar zijn bijzondere collecties te vinden van en over historische sleutelpersonen. Zoals aantekeningen van raadspensionaris Johan Van Oldebarneveldt. Er is zelfs een collectie ansichtkaarten die voormalig minister Hans van der Broek ontving van burgers.

Ik vraag me af of ook de ansichtkaart er ligt die Paul Rosenmöller kreeg van premier Balkenende, toen hij in Kamervragen geïnformeerd had naar de stabiliteit van het kabinet van CDA, LPF en VVD. Jan-Peter Balkende stuurde hem een kaartje waarin hij groette namens het kabinet in gezamenlijkheid en eenheid bijeen. Een noviteit destijds aan het Binnenhof.

Alleen al vanuit die optiek zou je willen dat de Nokia van de langst zittende minister- president (tevens geschiedenisleraar) uiteindelijk terecht komt bij het Nationaal Archief, én liefst ook zijn sms-jes. 

Beste mensen, ik sluit af. Het bewaren en delen van informatie is geen opgave maar een kans!

Een kans voor bestuurders en overheidsinstanties om te laten zien wát zij doen, waarom zij dat doen en hoe zij dat doen. 

Waarom?

Omdat ik, omdat wij, oprecht geloven dat openbaarheid en een goede informatiehuishouding de basis zijn van onze democratie.

Omdat burgers en journalisten, Kamerleden en wetenschappers het recht hebben om vragen te stellen en de overheid de plicht heeft op die vragen antwoord te geven. Want in een democratie is daarom geen reden.